De hond en zijn baas

‘Het was zomer en bloedheet, een zandafgraving met drie campings. Er stonden wel duizend mensen aan de kant. Een paar waaghalzen gingen zwemmen, die heb je d’r altijd bij. Ze moesten verwijderd worden. Na vier dagen zoeken vonden we hem pas. Een Soedanese asielzoeker, zestien. Maar inmiddels was-ie zo opgezwollen dat-ie eruitzag als vijfentwintig. Hij stond in het water, met een open petje waar dat kroeshaar zo bovenuit kwam. Daaraan zag je dat het onderkoeling was, anders zou hij liggen. Rechtop kwam hij naar boven, ’t was net een film. Hij had waarschijnlijk kramp gekregen. Als je Afrikaanse rivieren gewend bent, denk je niet aan die kou.’

De hond en zijn baas wonen in een eco-wijk in het noorden van het land. De baas heeft zijn hond allerlei trucjes geleerd. Nu kan hij op ladders klimmen, door rioleringspijpen kruipen en abseilen met een geel hesje om. En naar mensen speuren, vaker dood dan levend. Hij heeft er zo’n vijfendertig gevonden. Zeven jaar is de hond. Hij ligt bij de tuindeur, snuit tussen de poten, in een houten bak op wieltjes. Zo heeft hij geen last van de tocht, zegt de baas.

‘’t Zijn vaak dementen of zelfmoordenaars. Verdrinkingsgevallen zijn schaarser. Dat is ook een moeilijker speurdiscipline, omdat je ‘m zelf moet geleiden. Je zet hem op de voorplecht van de boot en op een gegeven moment zie je ‘m snuiven. Dan weet je: hij heeft een geur in de neus. Eerst stuur je ernaartoe, je maakt een bocht en kijkt welke kant-ie op loopt. Al achtjes draaiend kom je in de buurt. De brandweerduikers halen het slachtoffer op. Meestal help ik mee met sjouwen. Je doet je handschoenen aan en kijkt naar de arm, het been, de romp. Nooit naar het gezicht. Zelfs als het meevalt op het moment zelf: je weet niet hoe je er over vijftien, twintig jaar mee omgaat.’

De hond en zijn baas trainen elke dag samen. Om vijf uur gaat de wekker. Hop, onder de douche en naar het natuurgebied. Vijf tot acht kilometer in marstempo, ook in storm en regen, soms met dertien kilo bepakking. Een paar keer per week zet de baas speurroutes uit met voorwerpen die hij op straat vindt. Een handschoen, een fopspeen, een babyschoentje. Hij laat ze achter in een spoor en loopt zelf terug met een U-bocht. Dan gaat hij in de bosjes liggen en wacht tot de hond hem vindt.

‘Voor hem is een slachtoffer altijd dik feest. Hij verwacht dat-ie opspringt en met ‘m gaat spelen. Als het echt is, en het slachtoffer komt niet omhoog, zie je ‘m altijd heel dom kijken. Dan leid ik ‘m af. Da’s voor mij ook beter. Ik kan niet goed tegen die emoties. Bij die Soedanees, dat weet ik nog, ging de familie ritueel afscheid nemen. Ze stonden te gillen en te schreeuwen op de kant. Dan geef ik ‘m brokjes en z’n bijtrol, zo’n juten staaf om mee te trekken en gooien. Knap gedaan, jongen, zeg ik. Ik ben trots op je. Later heb ik een certificaat laten maken, kijk, met een rode stempel van de brandweer. Nou is-ie “inzetbare waterzoekhond”. Da’s een extra kwalificatie.’

(gepubliceerd in De Pers, 26 mei 2008)