Koninklijke bedankjes

‘Ik heb wel eens een cadeautje gestuurd ter ere van een geboorte. Een rood rompertje in het kleinste maatje. Eerlijk is eerlijk, ’t was een uitverkoopje. Geen lelijk ding hoor, ik zou het mijn eigen kind ook aandoen. Nou, wat denk je? Een standaardbedankje kreeg ik. Ik had het net zo goed kunnen laten.’

Het is middag, de kinderen zijn naar school en zij zit in de keuken. Plakletters op de ijskast, twee cavia’s in een kooi, de tuindeuren staan open. Haar albums met koninklijke bedankjes liggen opengeslagen op tafel. Brieven zijn het, foto’s, kaartjes, kindertekeningen. Alles in plastic mapjes beschermd tegen vette vingers.

‘Met een jaar of vier werden ze aan het werk gezet. Ik denk dat mama dat deed: toe maar jongens, even lief zijn. ’n Hoofd met benen en armen, zie je? Koppoters. Zo tekenen ze allemaal op die leeftijd. Dit zullen dan wel meeuwen zijn. Ja, meeuwen met gezichtjes. D’r zitten ook wel eens lelijke bij. Dit moeten vogeltjes op een boom voorstellen, maar hij was al tien toen-ie dit maakte. Ik denk dat-ie gewoon geen zin had.’

De tekeningen zijn gemaakt met viltstift of oost-indische inkt. Een wereld van weelde spreekt eruit, teruggebracht tot kinderlijke proporties. Een driemaster met een vlag in top, een pauw die op een boomtak zit. Een golfer in een ruitjesbroek. Een paleis met een zonnewijzer in het perk en een heleboel kleine raampjes.

‘Dat tekenen doen ze tot een jaar of zestien. Dan worden het handgeschreven briefjes en later saaie standaardbedankjes. Vaak krijg je er niet eens een foto bij. Alleen dat ene kroontje.’

De brieven zijn gedrukt op wit 75 grams papier, niet handgeschept en ook niet gerecycled. De kaartjes zijn iets zwaarder en hebben rafelige randjes. Kroontjes van goud of in zacht reliëf. Grijze letters met een schreef. Type Chevalier, voor de kenner.

‘Bij verjaardagen en verlovingen schrijf ik, trouwerijen, geboortes, dopen. En toen er eentje haar been had gebroken, heb ik haar beterschap gewenst. Ik schrijf alleen als ik iets terugkrijg, ja, ik maak het niet heel persoonlijk. Maar ik maak er ook geen handel van. Sommigen bieden ze meteen te koop aan, zodra ze ze binnen hebben. Dat vind ik niet respectvol. Dan moeten wij ook niet gaan piepen, vind ik, als zij ons niet meer bedanken.’

‘Ze worden selectiever, dat wel. Vroeger kon je ze feliciteren met een zwemdiploma, een afstuderen, een verhuizing. Overal bedankten ze voor. En nu? Als je ze allemaal een kerstkaart stuurt, krijg je er eentje ‘namens de hele familie’. Laatst hadden ze gewoon een link, kon je je eigen bedankje downloaden. Nou jaaa! dacht ik. Wat een knieperds, zeg. Je bent de rijkste van het land, ik vind: dan mag je best iets terug doen.’

Ze heeft er nu een stuk of vijfhonderd. Tegen haar kinderen zegt ze: pas op hoor! Als ik morgen onder een tram lig, doen jullie ze niet voor een habbekrats weg!

‘Wat zouden ze met die rompertjes doen? En met die kaartjes, en die gebreide sokjes? Ik denk niet dat ze ze dragen, maar ze zullen ze toch ook niet weggooien? Misschien bestaan er archieven voor. Of zouden ze ze zelf weer te koop aanbieden? Nee hoor, dat geloof ik niet. Maar je komt er natuurlijk nooit achter.’

(gepubliceerd in De Pers, 27 april 2008)