Trouwring verloren

19 October 2007

‘Waar plezier is, worden dingen verloren. Zeker in de zomer. Mensen smeren zich in met zonnebrand. Glibberig. Vingers zetten uit van de hitte. In het water koelen ze weer af, en hop, zo’n ring glijdt in het water. Bij een goedbezocht strandje vind je er wel vijftien of zestien op een dag.’

trouwring-verloren.jpg

De zoeker woont met zijn vriendin in een huis in een dorp in het noorden. Zijn ouders wonen hierachter, zijn oom en tante hiernaast. Als ze bezoek hebben, kunnen zijn schoonouders zien wie het zijn. Binnenkort krijgen ze rol- en overgordijnen.

‘Als de dag van dauw naar droog gaat, is ‘t het mooist. Het is stil en je ligt in het water. Er schiet een dikke vis weg, je ziet konijntjes, een hertje. En dan hoor je opeens een piepje. Je denkt: verrek, wat is dat? Je zet je voet op de plek en pakt er een schep met een steel bij. Die schep, daar zitten gaten in, zodat de modder eruit loopt. Je houdt een kluitje over. Thuis zie je pas wat je hebt gevonden.’

Op de eettafel staat een doos sieraden, op metaalsoort gerangschikt en glimmend gepoetst. Er zitten zilveren schakelarmbanden bij, gouden oorbellen, brillen. De trouwringen en verlovingsringen liggen apart. Hij houdt er een tegen het licht.

‘Gerrit 4-7-’57, en Lina 4-7-’57. Die heeft de vrouw aan elkaar laten smelten, denk ik, toen haar man overleed. Hij is een beetje verkleind. Het resterende goud is gebruikt om dat robijntje erop te zetten. Zwany, 1-1-’66, daar stel ik me zo’n grove landarbeider bij voor. En deze, verloofd op 12-5-2003. Die heb ik in mei van dat jaar gevonden. Vlijmscherp is-ie nog, zie je? Die moet ‘m echt gemist hebben.’

Aan zijn rechterringvinger heeft hij een gouden ring, plat, met dunne streepjes. ‘Sommige draag ik zelf, andere draagt mijn vriendin. Alleen de inwisselbare laat ik omsmelten. Daarvan kun je de eigenaar toch nooit meer vinden. Ik moet ook m’n benzine betalen, en m’n nieuwe detectoren.’

‘Die ringen zijn min of meer toeval, hoor, het gaat me om archeologische vondsten. Naar die strandjes ga ik alleen als de akkers vol staan en ik daar niet kan zoeken. Mijn oudste vondst is een Romeins muntje van rond 130 na Christus. Da’s voor deze streek vrij uniek. Toch houdt een geschiedenis van drie maanden je meer bezig dan die van een paar eeuwen. In zo’n muntje zit alleen maar kennis. Op een gegeven moment weet je wat voor materiaal het is, waar het vandaan komt, uit welke eeuw. Maar zo’n ring laat je niet los. Ik heb gemeentes aangeschreven, om trouwaktes gevraagd. Niets. Misschien zijn ze heel ergens anders getrouwd. Of ze hebben ‘m boos in de plas gegooid, dat kan ook. Dat ze nu zijn gescheiden.’

Aan het eind van de straatweg waaraan zijn huis ligt, begint het platteland. Grote landerijen van herenboeren met levensbomen boven de deur.

‘In de oorlog zaten hier veel foute boeren. Net voor de bevrijding verstopten ze hun kostbaarheden op het erf. Zo stuitte ik op een trouwring uit ‘22. Er lag een zilveren dasspeld bij en drukplaatjes van NSB-krantjes. Die wilde de boer niet meer hebben. Maar die trouwring, daar was hij heel blij mee. Hij wist niet eens dat zijn vader hem kwijt was.’

(gepubliceerd in De Pers, 19 oktober 2007)