Schone overhemden

‘Een heleboel mensen vragen zich diep van binnen af waarom ze op aarde zijn. Ze staan er alleen niet meer bij stil. Wij hebben het antwoord en dat willen we delen. Maar we dwingen niemand. We hebben geen slechte dagen, want we doen altijd ons best. Het is heerlijk om mensen te helpen.’

Ze lopen door de winkelstraat, met blozende wangen en kortgeknipt haar, en spreken voorbijgangers aan. Ze gaan ook langs bij mensen thuis. Lees verder…

Biefstuk van het land

‘Ze komen altijd in april. Dan bel je de handelaar op, en zeg je: doe mij vier Belgische blauwe. Dit jaar had-ie er maar twee. Daarna kwam die rooie erbij. Da’s een tam beestje. Zo achter z´n oren kun je ´m krabben, daar hebben ze vaak jeuk.’

Hij staat aan het hek van prikkeldraad en voert zijn koeien. Grote grijze tongen krullen zich om bruine koeken heen. Wolken drijven voorbij in zijn ogen. ‘Toe maar jongens. Ik noem ze jongens, al zijn het meisjes. Ze kennen je fiets, je auto, je stem, je kleren. Als ik deze trui niet aan heb, kijken ze raar.’ Lees verder…

Gastkind

´Ik ben maar begonnen met broccoli. Ik dacht, dat is een beetje zoet. Niet meteen witlof, of scherpe kost. Maar broccoli vond hij vies. Het liefst zou hij elke dag chips met Fanta hebben, maar daar ben ik streng in. Hij kwam hier om aan te sterken. Na deze negen weken moet hij nieuwe bloedlichaampjes hebben aangemaakt. Daarmee schijnt hij weer twee jaar vooruit te kunnen.´ Lees verder…

Ik ben een geluksvogel

De instrumenten waren niet te koop, alleen te geef. De fluitspeler kreeg ze van een oude man met lijnen van goedheid in z´n gezicht. Acht violen, drie altviolen en twee cello´s. Gesneden uit Zwitsers hout uit 1720, bespannen met snaren van kattendarm, geïmpregneerd met ochtendurine en in de jacarandaboom gehangen om te wennen aan de wind. Ten tijde van Lodewijk de Veertiende, zei de oude man, waren alle orkesten uit hetzelfde hout gesneden. Zo klonken ze op hun best. Lees verder…